Nieuw wetsontwerp zet meer in op bemiddeling

Op 7 juni 2018 werd het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing aangenomen in de Kamer. Dit wetsontwerp past het Gerechtelijk Wetboek aan door alternatieve vormen van geschillenoplossing te promoten om zo de rechtbanken te ontlasten.

Adhemar Advocaten zet voor u graag de krachtlijnen van dit wetsontwerp inzake bemiddeling uiteen.

In de eerste plaats wordt er met deze nieuwe wetgeving een definitie van het begrip “bemiddeling” ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek. Tot nu toe was er immers nog geen wettelijke definitie van dit begrip voor handen. Bemiddeling wordt omschreven als “een vertrouwelijk en gestructureerd proces van vrijwillig overleg tussen conflicterende partijen met de medewerking van een onafhankelijke, neutrale en onpartijdige derde die de communicatie vergemakkelijkt en poogt de partijen ertoe te brengen zelf een oplossing uit te werken”.  Door het begrip te definiëren wenst de wetgever elke verwarring met andere concepten (zoals bv. verzoening, onderhandelingen of schuldbemiddeling) uit te sluiten.

Het toepassingsgebied van bemiddeling zal in de nieuwe wet eveneens worden verruimd en preciezer worden gedefinieerd. Vernieuwend hierbij is vooral dat het wetsontwerp het toepassingsgebied van bemiddeling uitbreidt naar de publiekrechtelijke rechtspersonen (behalve wanneer hier een specifieke regeling van toepassing is, zoals bijvoorbeeld in fiscale zaken).  Bemiddeling wordt hierdoor ook voor de overheid, als partij in de bemiddeling, evidenter.

Elk al dan niet grensoverschrijdend geschil van vermogensrechtelijke aard zal het voorwerp kunnen uitmaken van een bemiddeling. Daar wordt nog aan toegevoegd dat niet-vermogensrechtelijke geschillen die vatbaar zijn voor dading en geschillen die voortvloeien uit feitelijke samenwoning ook voor bemiddeling in aanmerking komen.

Vervolgens wenst de wetgever de kwaliteit van de bemiddeling te waarborgen. Om erkend te worden als bemiddelaar zal men immers een theoretische opleiding en een praktische vorming moeten volgen en moeten slagen voor de evaluatieproeven. Ook de tuchtprocedure en deontologie worden verstrengd.

Zoals hierboven reeds werd aangehaald, wenst de wetgever ook de druk op de hoven en de rechtbanken te verminderen met  deze nieuwe bemiddelingswet. Zo bepaalt het wetsontwerp dat de rechter in elke stand van het geding een minnelijke oplossing van het geschil bevordert. In het kader hiervan kan de rechter de partijen informeren over de mogelijkheid van bemiddeling. Op vraag van één van de partijen  of indien hij dit zelf nodig acht kan de rechter de zaak zelfs tot een maand uitstellen om partijen de kans te geven om na te gaan of hun geschil nog minnelijk kan worden opgelost. De rechter speelt hierbij dus eerder een ‘pacificerende’ rol.

Niet alleen rechters, maar ook andere actoren zoals bijvoorbeeld gerechtsdeurwaarders en advocaten, hebben tot taak om de rechtszoekenden te informeren over een minnelijke oplossing van het geschil. Gerechtsdeurwaarders kunnen hiertoe bijvoorbeeld een informatiebrochure over bemiddeling  bij de dagvaarding voegen.

Tot slot krijgt ook de techniek van de “collaboratieve onderhandelingen” een wettelijk kader. Deze vorm van minnelijke geschillenoplossing wordt in het wetsontwerp omschreven als “een vrijwillige en vertrouwelijke procedure van geschillenoplossing door onderhandeling, waarbij conflicterende partijen en hun advocaten betrokken zijn en deze advocaten optreden om een minnelijk akkoord te bewerkstelligen.”. Deze onderhandelingen zullen alleen maar kunnen worden gevoerd door advocaten die een speciale opleiding hebben genoten en die voorkomen op de lijst van collaboratieve advocaten.

De wetgever zet met deze nieuwe wet duidelijk in op het promoten van alternatieve vormen van geschillenbeslechting. Dit is een goede zaak, aangezien de ervaring leert dat een oplossing die partijen onderling hebben uitgewerkt, bijvoorbeeld door beroep te doen op een onafhankelijke bemiddelaar, beter wordt uitgevoerd dan een éénzijdig door de rechtbank “opgelegde” oplossing. Het valt echter af te wachten hoe de rechtscolleges in de praktijk met deze nieuwe wetgeving zullen omgaan.

Voor verdere vragen kunt u terecht bij Stefanie Debeuf of Elke Paenhuysen:

stefaniedebeuf@adhemar.law

elkepaenhuysen@adhemar.law