De puntjes op de “i” in het Vrijstellingsbesluit

Op 22 november trad het besluit van de Vlaamse Regering van 28 september 2018 tot wijziging van diverse besluiten inzake ruimtelijke ordening, ruimtelijke veiligheidsrapportage en milieueffectrapportage (hierna: ‘het Verzamelbesluit’) in werking.

Het Verzamelbesluit wijzigt onder meer het het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is (hierna: ‘het Vrijstellingsbesluit’). In deze nieuwsbrief staan we stil bij enkele wijzigingen aan het Vrijstellingsbesluit.

1. Groen

Overeenkomstig artikel 6.1, 1° van het Vrijstellingsbesluit is een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen niet nodig voor het vellen van hoogstammige bomen, op voorwaarde dat aan de volgende vereisten is voldaan:

a) ze maken geen deel uit van een bos;

b) ze liggen in een woongebied in de ruimte zin, in een agrarisch gebied in de ruimte zin of in een industriegebied in ruime zin, én niet in een woonparkgebied;

c) ze liggen binnen een straal van 15 meter rondom de vergunde woning, de vergunde landbouwbedrijfswoning of landbouwbedrijfsgebouwen of de vergunde bedrijfswoning of bedrijfsgebouwen.

 Voortaan mag het evenmin gaan om hoogstammige bomen op openbaar domein. Deze laatste voorwaarde wordt overeenkomstig artikel 13 van het Verzamelbesluit ter verduidelijking aan de opsomming in artikel 6.1, 1° van het Vrijstellingsbesluit toegevoegd.

Voor het vellen van hoogstammige bomen op het openbaar domein die geen deel uitmaken van een bos geldt immers de specifieke vrijstelling van artikel 6.1, 7° van het Vrijstellingsbesluit. Hiervoor geldt een heraanplanting in de onmiddellijke omgeving in het eerstvolgende plantseizoen.

2. Reliëfwijziging

Artikel 4.2.1, 4° van de VCRO bepaalt dat niemand zonder voorafgaande omgevingsvergunning het reliëf van de bodem aanmerkelijk kan wijzigen, onder meer door de bodem aan te vullen, op te hogen, uit te graven of uit te diepen waarbij de aard of de functie van het terrein wijzigt.

Artikel 12/1.1 van het Vrijstellingsbesluit bepaalt vervolgens dat geen omgevingsvergunning nodig is voor reliëfwijzigingen als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

1° het terrein ligt niet in ruimtelijk kwetsbaar, erosiegevoelig of mogelijk of effectief overstromingsgevoelig gebied;

2° de aard of de functie van het terrein wijzigt niet;

3° het volume van de reliëfwijziging is kleiner dan 30m³ per goed;

4° de hoogte of diepte van de reliëfwijziging is op elk punt kleiner dan een halve meter;

5° de reliëfwijziging strekt niet tot het geheel of gedeeltelijk dempen van grachten of waterlopen.

Omdat het onduidelijk was op welke manier moest worden omgegaan met opeenvolgende reliëfwijzigingen van telkens minder dan 30m³, werd artikel 12/1.1, 3° van het Vrijstellingsbesluit gewijzigd in die zin dat het “totale volume van de reliëfwijziging” kleiner moet zijn dan 30m³ per goed.

Het verslag aan de Regering bij het Verzamelbesluit bepaalt hierover het volgende: “Twee opeenvolgende reliëfwijzigingen op één goed, van bijvoorbeeld elk 14m³, kunnen wel vrijgesteld zijn, als aan de andere voorwaarden van het artikel is voldaan. Bij twee opeenvolgende reliëfwijzigingen van elk 16m³, is de tweede vergunningsplichtig. Die kan niet genieten van een vrijstelling”. Het Verzamelbesluit bevat evenwel geen richtlijnen die toelaten om te beoordelen hoe ver moet worden teruggegaan in te tijd om te bepalen of twee afzonderlijke reliëfwijzigingen “opeenvolgend” zijn.

3. Tijdelijke handelingen en tijdelijke plaatsing van verplaatsbare constructies

Artikel 16 van het Verzamelbesluit vervangt artikel 7.1 van het Vrijstellingsbesluit en voegt een regeling toe voor tijdelijke handelingen bij vergunningsplichtige, meldingsplichtige of van vergunning vrijgestelde bouwwerken.
In het eerste lid van artikel 7.1 van het Vrijstellingsbesluit wordt voorzien dat er geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen nodig is voor tijdelijke handelingen die nodig zijn om vergunde handelingen, meldingsplichtige handelingen waarvan akte is genomen of van vergunning vrijgestelde handelingen uit te voeren als die tijdelijke handelingen plaatsvinden op openbaar domein, op het goed of binnen de werkstrook die afgebakend is in de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of in de meldingsakte.

Het Verzamelbesluit bepaalt dat de tijdelijke handelingen die nodig zijn om de van vergunning vrijgestelde handelingen uit te voeren, niet langer mogen duren dan een jaar. Het verslag aan de Regering bij het Verzamelbesluit verduidelijkt dat de tijdelijke handelingen die nodig zijn voor de uitvoering van vergunde of gemelde handelingen hoe dan ook zullen worden beperkt in de tijd door de vervalregeling met betrekking tot de vergunningen respectievelijk meldingen.

Het tweede lid van artikel 7.1 van het Vrijstellingsbesluit bepaalt dat er geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen nodig is voor de tijdelijke plaatsing van verplaatsbare constructies tijdens de uitvoering van vergunde verbouwingen of herbouwingen van gebouwen, meldingsplichtige verbouwingen of herbouwingen waarvan akte is genomen of van vergunning vrijgestelde verbouwingen als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:

1° de constructies worden gebruikt om functies in onder te brengen die door de uitvoering van de handelingen niet meer kunnen plaatsvinden in de te verbouwen of herbouwen gebouwen;

2° de constructies worden niet langer dan twee jaar geplaatst in geval van vergunde of meldingsplichtige verbouwingen of herbouwingen en niet langer dan een jaar in geval van verbouwingen die vrijgesteld zijn van vergunning;

3° de maximale hoogte is beperkt tot 3,5 meter;

4° bij plaatsing op een goed dat niet tot het openbaar domein behoort, wordt de constructie op minimaal twee meter afstand van de zijdelingse en van de achterste perceelsgrens geplaatst;

5° de constructies worden verwijderd binnen dertig dagen nadat de verbouwde of herbouwde gebouwen in gebruik zijn genomen.

 4. Openbaar domein

Artikel 21 van het Verzamelbesluit wijzigt artikel 10, 1°, 2° en 4° van het Vrijstellingsbesluit. Zo zal een omgevingsvergunning voor de stedenbouwkundige handelingen voortaan niet langer vereist zijn voor de uitvoering van de volgende handelingen op openbaar domein of op een terrein dat na de handelingen tot het openbaar domein zal behoren:

1° De aanleg van verhardingen waarvan de oppervlakte 300m² of minder bedraagt, met een reliëfwijziging van minder dan 50 cm;

2° het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een bestaande verharding. De vrijstelling geldt niet als de bestaande weg een aardeweg, grindweg, steengruisweg of kasseiweg is of als de bestaande weg een waterdoorlatend karakter heeft;

3° gebruikelijke ondergrondse constructies en aansluitingen, zoals installaties voor het transport of de distributie van drinkwater, afvalwater, elektriciteit, aardgas, warmte- en koudenetleidingen en andere nutsvoorzieningen.

Voor vragen kan u contact opnemen met Jan Roggen of Laura Thewis:

janroggen@adhemar.law

laurathewis@adhemar.law