Het aanbesteden van juridische diensten: dankzij uw akte van vertrouwen

In een interessant arrest van 6 juni 2019 (C-264/18) heeft het Europees Hof van Justitie de uitsluiting van bepaalde juridische diensten uit het toepassingsgebied van de overheidsopdrachtenreglementering bevestigd. Het arrest blinkt uit in pragmatisme en benadrukt de intuitu personae-band die vaak (zo niet altijd) bestaat tussen een advocaat en cliënt.

Adhemar Advocaten licht de inhoud van dit arrest graag toe.

De Europese Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (hierna: “Richtlijn 2014/24/EU”) sluit een aantal juridische diensten uit van het toepassingsgebied van de overheidsopdrachtenreglementering (art. 10 Richtlijn 2014/24/EU). Het betreffen de zogenaamde “litigation-diensten”. Dit zijn (juridische) diensten die betrekking hebben op de vertegenwoordiging in rechte van een aanbestedende overheid en de advisering ter voorbereiding van dergelijke gerechtelijke procedures. Ook het waarmerken en voor echt verklaren door een notaris, juridische dienstverlening door bewindvoerders, aangewezen voogden, etc. en andere juridische diensten die al dan niet verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag worden van het toepassingsgebied van de overheidsopdrachtenreglementering uitgesloten (artikel 10, d) Richtlijn 2014/24/EU).

Hiertegenover staan de zogenaamde “consultancy-diensten”. Dit zijn diensten die betrekking hebben op juridische adviesverlening, vertegenwoordiging voor belanghebbenden (buiten de hierboven vermelde uitgesloten diensten), adviezen inzake octrooien en auteursrechten, adviezen inzake auteursrechten, adviezen inzake auteursrechten voor software, juridische documentatie en certificering, etc. Deze diensten blijven onder het toepassingsgebied van de overheidsopdrachtenreglementering vallen.

De hierboven genoemde uitsluiting van de zogenaamde “litigation-diensten” werd echter niet door iedereen gesmaakt, waardoor er een beroep tot vernietiging werd ingesteld bij het Grondwettelijk Hof tegen de bepalingen uit de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten die de Belgische omzetting vormden van de uitsluiting uit artikel 10 van Richtlijn 2014/24/EU (o.a. artikel 28 wet 17 juni 2016). Er werd onder meer opgeworpen dat dergelijke uitsluiting een verschil in behandeling in het leven roept tussen deze “litigation”-diensten (die worden uitgesloten van de overheidsopdrachtenreglementering) en de overige diensten die wel onder de regels rond overheidsopdrachten ressorteren. Dit verschil in behandeling kan, volgens de verzoekende partijen, niet worden gerechtvaardigd. Het Grondwettelijk Hof stelde daarop een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie met daarin de vraag of de hierboven genoemde bepaling (artikel 10) uit Richtlijn 2014/24/EU verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel, al dan niet in samenhang gelezen met het subsidiariteitsbeginsel en met de artikelen 49 en 56 VWEU.

Het Europees Hof van Justitie wijst het beroep op het subsidiariteitsbeginsel en de artikelen 49 en 56 VWEU vrij gemakkelijk en zonder al te veel bewoordingen van de hand. Op het hierboven vermelde argument dat er sprake zou zijn van een verschil in behandeling, gaat het Hof iets dieper in en benadrukt zij, met betrekking tot de betrokken “litigation-diensten”, het intuitu personae-karakter van de verhouding tussen een advocaat en zijn/haar cliënt. Deze verhouding wordt gekenmerkt door een vrije keuze van de eigen raadsman en een (hechte) vertrouwensband tussen de cliënt en zijn advocaat. Het Hof gaat zelfs nog een stap verder en stelt dat een eventuele aanbestedingsplicht voor dergelijke juridische diensten de rechten van verdediging zou kunnen schenden.

Het Hof van Justitie besluit aldus – terecht – dat dergelijke diensten niet (objectief) vergelijkbaar zijn met de andere diensten die wel binnen het toepassingsgebied van de overheidsopdrachtenreglementering vallen. De uitsluiting is bijgevolg gerechtvaardigd en doet geen afbreuk aan het beginsel van gelijke behandeling.

Deze uitspraak van het Hof van Justitie kan o.i. enkel worden toegejuicht. In de praktijk had een omgekeerde beslissing immers tot veel zwaardere gevolgen (tijd- en efficiëntieverlies, inperking vrije keuze advocaat, edm.) kunnen leiden voor zowel advocaten als voor aanbestedende instanties die op zoek zijn naar adequate procesvertegenwoordiging.

Er dient te worden besloten dat de (vertrouwens-)relatie tussen advocaat en cliënt altijd het uitgangspunt geweest is en, met dit arrest van het Hof van Justitie, zelfs nog verder wordt versterkt. “Blind getrouwd” mag dan wel een “hit” zijn, voor een “blinde” relatie tussen advocaat en cliënt is er geen plaats.

Voor verdere vragen kunt u steeds terecht bij Jannick Poets of Jonas Voorter:

- jannickpoets@adhemar.law;
- jonasvoorter@adhemar.law;